Culturele avonden 2009-2010

Edelsmeedkunst kijken bij Alliance Française Meppel

tinnen_kan2Als een speurder buigt Monsieur Dangis zich over een inktstel; waar komt het vandaan, is het echt oud en hoe oud? Het komt uit Engeland en is oudmaar, zo ziet hij met een loupe, niet alle onderdelen horen bij elkaar. Geboeid kijken de bezoekers van de lezing “Orfèvrerie ancienne” over de schouders van de onderzoeker mee. Elk merkje wordt onthuld en is duidelijk zichtbaar te vinden in één van de “grote merken” boeken die hij heeft meegebracht. Voor de pauze gaf de spreker een uitgebreide inleiding over de techniek van het tingieten, de organisatie van de edelsmeden en de verschillende keurmerken. Elke stad had weer andere merken. Hoe te dateren en te interpreteren, welke groeven werden er met een burijn aangebracht aan de achterzijde? Een mooi glad bord bleek vaak misleidend, een kopie gemaakt in deze tijd.
Het verschil tussen massief zilver en verzilverd, het patin op brons, waarvan de echtheid met een citroentje bevestigd of ontmaskerd wordt. Heel veel interessante feiten passeerden de revue, maar ook schotels, tinnen kannetjes, een zilveren broche, een zoutvaatje en een Art Deco tasje van zilver werden zorgeloos doorgegeven. Een prachtstuk was een tinnen “kardinaalsschotel”, in het midden bol, voor vlees met saus en een fraaie ronde lepel uit de 17e eeuw. Na dit alles kwamen bezoekers met hun eigen, fraaie edelsmeedvoorwerpen van tin en zilver. Deze werden bekeken en gewaardeerd; het enthousiasme van M. Dangis hield tot het einde aan. Met een glas wijn voor de (trouwe) bezoekers eindigde de Alliance Française Meppel dit culturele seizoen, vol mooie plannen voor een succesvol nieuw programma.

Grote belangstelling voor La Chanson Française

brel Goed doceren is een ware kunst, dat bewees Joop van Schaik weer eens tijdens de afgelopen culturele avond van de Alliance Française Meppel. Met humor en gevatheid overzag hij het aanslepen van de extra stoelen en koffiekopjes (voor in de pauze) en met een kwinkslag had hij de aandacht gelijk te pakken voor een boeiend relaas over de geschiedenis van het Franse chanson. De meegebrachte pick-up gaf de authentieke krakerige geluiden bij aanvang van elk lied, het publiek luisterde geconcentreerd en volgde de tekst die was uitgereikt.
Van François Villon de “ballade van de gehangene”, droevig maar met ironie, zijn naam blijft bekend onder meer dankzij de prachtige vertalingen van Ernst van Altena. Sommige namen zijn verdwenen maar, zoals in een ander mooi lied wordt gezongen: “Les poètes ont disparu, mais les chansons courent encore dans les rues” (De dichters zijn verdwenen, maar de chansons klinken nog in de straten). De fabel van La Fontaine (de schildpad en de haas) klonk bijzonder actueel, door een bijna rap-achtige manier van “zingzeggen”.
Ten tijde van Mazarin, zo vertelde Joop van Schaik, werden er protestliederen tegen het belastingstelsel gezongen. Het brengen van deze “Mazarinades” was strafbaar maar daardoor extra spannend en gezocht.
Christine de Pisan (1365-1430), een van de weinige tekstschrijfsters uit die tijd, beschreef ontroerend mooi haar eigen trieste situatie: “Je ne sais comment je dure” (Ik weet niet hoe ik ‘t volhoud), het raakt je nog steeds.
In 1892 werd het chanson voor de eerste keer geregistreerd en ging de commercie een grotere rol spelen. De cabarets doken op in Montmartre. Aristide Bruant schreef en zorgde voor de muziek van een als sociale aanklacht gebracht lied over de zijdeweefsters (Les Canuts). “Ze maakten fijne kleding maar zelf gingen zij naakt”.
De wereldoorlogen speelden een rol in veel chansons, zoals bijvoorbeeld in “La Butte rouge”, over het slagveld waar nu weer wijnstokken staan; aangrijpend. Met mooie opnames en anekdotes vloog de tijd van de conférence van Joop van Schaik voorbij. De Alliance Française Meppel verheugt zich al op een volgend onderwerp waarover deze sprankelende spreker zijn licht zal laten schijnen.

De wereld van Séraphine

seraphine2Ademloos stil was het tijdens en ook direct na afloop van de film Séraphine die de Alliance Française Meppel afgelopen maandagavond vertoonde. De film van regisseur Marcel Provost combineerde goed geobserveerde karakters van personen met het mooie landschap rondom Senlis. Alles overtuigde door een rustige, eenvoudige en schilderachtige stijl. Hoe tragisch is het leven van een weesmeisje met een kunstzinnige uitlaatklep. Zij wordt gestimuleerd door de nonnen, waar zij in warmte is opgevoed. Er wordt voor een werkplek gezorgd bij een kille dame, die haar passie maar onzin vindt; ze kan maar beter poetsen. Kunst hoort volgens haar bij andere mensen. Wilhelm Uhde, kunstkenner, collectioneur en ontdekker van Picasso en Le Douanier Rousseau, denkt daar anders over. Enthousiast garandeert hij Séraphine roem en rijkdom. Zoiets kan, hoe goed bedoeld ook, een leven totaal ontregelen. Séraphine probeert haar dagdromen te verwezenlijken: een trouwjurk, een kasteel en veel zilveren kandelaars. Haar simpele geest ziet het voor zich en handelt er ook naar. Door oorlog en crisis pakt alles anders uit, met als gevolg dat ze ernstig in de war raakt. In isolatie in een inrichting, bezoekt haar beschermer Wilhelm Uhde haar en neemt maatregelen om haar een kamer met een tuin te bezorgen. Daar ziet ze de “boom” die haar houvast (letterlijk en figuurlijk) in het leven was. Ze installeert zich eronder, ze is tevreden, haar leven is rond.
Deze prachtige film kreeg terecht zes Césars (Franse filmonderscheidingen), daar waren de zeer betrokken bezoekers van de filmavond van de Alliance Française Meppel volledig van overtuigd.

Henri Cartier-Bresson: fotograaf in zwart/wit

Op foto’s die vastlegden hoe Henri Cartier-Bresson fotografeerde, lijkt het of hij rond zijn onderwerp danst. Maar als hij afdrukte, hield hij zijn adem in.
Zo begon Madame Chantal Cossais-Giel haar, druk bezochte, lezing afgelopen maandag bij de Alliance Française Meppel. Als zoon uit een vooraanstaande familie, kreeg hij een goede opleiding, een gouvernante die hem Engels leerde en hij bezocht hij vaak ‘en famille’ musea en concerten. Zijn oom Louis Cartier-Bresson, de kunstschilder, was zijn idool en voorbeeld, hij wilde later ook gaan tekenen en schilderen.

Het surrealisme boeide hem enorm, André Breton, René Crevel en Emile Blanche interesseerden hem geweldig. Tot zijn vriendengroep behoorde ook Julien Levy, dezelfde die zijn werk later (1933) als één van de eersten exposeerde in zijn galerie in New York. In navolging van André Gide wilde hij naar Afrika, hij kwam in Ivoorkust terecht, waar hij in hout handelde en hij keerde terug met koorts. Een foto uit Tanganyika van Macaksi, met daarop drie kinderen in de golven, gaf voor hem de doorslag: hij wilde fotograaf worden en gaan reizen. Veel slapende mensen, trappen, bruggen en silhouetten in een bepaald rithme met de omgeving, dat werden zijn onderwerpen. Een vast en een bewegend onderdeel, bijvoorbeeld een trap en een fietser, zijn ook terugkerende onderdelen geworden van zijn repertoire., waarin op meerdere niveau’s veel te zien is. In Mexico verkoopt hij zijn eerste foto’s aan plaatselijke kranten. Hij maakt onder meer propagandafilms voor de communistische partij, maar ook speelfilms samen met de cineast Jean Renoir. Maar zoals een enthousiaste Madame Cossais-Giel deze avond aantoonde: de fotografie, en vooral in zwart/wit, blijft de grote passie van Henri Cartier-Bresson. Een uitstapje naar de film of de kleurenfotografie beklijft niet. Kleuren vond hij te schreeuwerig. Wel gaat hij aan het einde van zijn lange en boeiende leven weer tekenen, ook weer in zwart/wit natuurlijk.

Lezing M. Joel Binet op 9 november 2009: d’Artagnan als culinaire gids

d’Artagnan02Het merendeel van de oude plaatsen en plaatsjes (80%) is goed bewaard gebleven in de Gascogne. Dankzij de “bastides”, de fortificaties, ademen deze plaatsen als Lupiac, Montréal, Cologne en Montesquiou, nog steeds de sfeer, van knusheid en bescherming van vroeger. In het centrum altijd een fraaie waterput, onderaardse gangen en huizen geconstrueerd met stro, klei en balken, volgens conférencier Joël Binet, de eerste ecologische woningen. Ook aan de zorg voor zieken en bedelaars was al gedacht, via een klein deurtje in de fortificatie konden ze aankloppen en gratis verzorging en verpleging ontvangen. Heel modern doet ook weer het systeem van “le troc” aan, het uitwisselen van de ene dienst voor de andere met gesloten beurzen. Ver van Parijs had elke stad of stadje zo zijn eigen systeem. De streek Gascogne, gelegen tussen Auch en Toulouse, ten zuidwesten van de Garonne en de Baïse, heeft nog steeds grote aantrekkingskracht, maar het blijft er kalm en authentiek, het massatoerisme zal je hier niet tegenkomen. Een enthousiaste Joël Binet sprak voor een geïnteresseerd publiek van de Alliance Française Meppel over deze streek. Daarnaast was er ook veel aandacht voor het culinaire. Na de pauze volgden we d’Artagnan op weg naar het Noorden om zich aan te melden bij de Mousquetiers du Roi. Vele plaatsen, waar de typische streekprodukten worden verhandeld werden aangedaan en fraai in beeld gebracht. Binet zelf, een gedreven amateur-kok lardeerde zijn conférence met verschillende recepten. Het verhaal bij het recept werd erg aanstekelijk en smakelijk verteld. De Gascogne heeft in Binet een bewonderaar gevonden die zijn publiek laat meegenieten.

Het groots en meeslepende leven van Mata Hari        Mme Lydie van Huet, 5 oktober 2009
mata hariAls oogappel van haar vader kreeg de kleine Margaretha Zelle op vierjarige leeftijd een eigen bokkenwagen, waarin ze rond reed als een prinsesje. De hele buurt in haar geboorteplaats Leeuwarden was er vol van. Vader zelf, de eigenaar van een zaak in hoeden en petten, was ook een man van allure, met de bijnaam “de baron”. Deze culturele avond van de Alliance Française Meppel, werd geïllustreerd met prachtige oude foto’s uit Nederland, Indonesië, Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk. Madame Lydie van Huet wist haar talrijke publiek te betrekken bij het bewogen leven van dit meisje uit Friesland, dat later onder de naam Mata Hari bekend werd. Mannen in uniform vond ze uiterst aantrekkelijk. Had hij ook nog geld en een titel dan was hij onweerstaanbaar. Haar voortdurende gebrek aan financiële middelen en haar behoefte om in mondaine kringen te verkeren, wist ze via haar grote schoonheid met elkaar in evenwicht te brengen. Vele beschermers passeerden de revue, maar haar leven was rusteloos, steeds zocht ze nieuwe ervaringen en avonturen. De periode van de Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan haar danscarrière. In Duitsland werd haar gevraagd om in Frankrijk te spionneren en in Frankrijk vroeg een hoge Franse militair dit voor de Franse kant te doen. Ze kon het geld goed gebruiken want ze had eindelijk haar grote liefde, een veel jongere Rus zonder geld dit keer, gevonden. Met fantasie en bluf had ze veel bereikt. Maar uiteindelijk werd haar, als spionne, min of meer het falen van de Franse militaire acties in de schoenen geschoven. Het was een gebruikelijke trend, als excuus voor de grote verliezen aan de Franse kant. Madame van Huet beschreef fraai de laatste momenten van het leven van Mata Hari. Verzorgd tot in de puntjes, geen blinddoek voor, trad zij het vuurpeloton tegemoet. “Wat een vrouw” zeiden de betrokken militairen, zij wist zich tot op het laatst verzekerd van mannelijke waardering.