Culturele avonden 2010-2011

Maandag 14 februari 2011 Mme Edwige Leunissen: Sprankelende conférence over Marcel Pagnol

marcel-pagnolMet groot enthousiasme vertelde Madame Leunissen voor de Alliance Française Meppel  haar verhaal over de schrijver/cineast Marcel Pagnol (1895-1974). Pagnol was het onderwerp van haar scriptie, een schrijver die net als andere regionalisten (Daudet, Mistral) nu weer enorm gewaardeerd wordt.  In zijn leven en carrière stond de Provence (Marseille) centraal. Hij had altijd een grote schare bewonderaars om zich heen, de “bande de Pagnol” genaamd, waarmee hij tijdens lange maaltijden en partijtjes pétange zijn ideeën uitwerkte. Ruim 35 boeken schreef hij, waarvan vele verfilmd zijn. Na de pauze konden we mooie oude foto’s uit de films, met onder andere de legendarische Fernandel, bewonderen. De trilogie: Marius, Fanny met, als verzoeknummer, César er achteraan. De laatste kwam tot stand onder aandrang van een bewonderaarster, die smeekte om een goede afloop van het verhaal. Enthousiast gemaakt over het fenomeen van de gesproken film, vertrok hij naar Londen. Hij was meteen overtuigd, dit wilde hij ook. Zo kwam de film Topaze tot stand, nota bene over het onderwijs, dat hij zelf voor het schrijven en filmen vaarwel had gezegd. Hij was aanvankelijk leraar Engels. Zijn vader had weinig vertrouwen in zijn schrijf- en filmsuccessen, “blijf toch vooral lesgeven” zo raadde hij aan, “dan verdien je nog wat”.

Zonder schrijfmachine, maar met een kroontjespen, schreef de op traditie ingestelde Marcel Pagnol al zijn werk. Madame Leunissen vertelde tijdens haar boeiende Alliance Française avond dat van zijn deels autobiografische films de verfilmde “souvenirs d’enfance” het dichtste bij zijn eigen leven komen. Zijn vader zou trots op hem geweest zijn, andersom was Pagnol onder de indruk van zijn vader. Volgende maand 14 maart vertoont de Alliance Française Meppel de film “la gloire de mon père”, waarin prachtig het ontroerende onderwijzersleven van zijn vader in beeld wordt gebracht.

 

Woensdag 12 januari 2011 Marcel Zwitser: Het Franse hof en de kunst

lullyDe beginbeelden van de film “le Roi danse” over Lodewijk de XIVe en zijn hofcomponist Lully gaven gelijk aan met wie we te maken gaan krijgen. De musicoloog Marcel Zwitser illustreerde op deze manier prachtig voor de Alliance Française Meppel de hang naar roem en belangrijkheid van deze Frans-italiaanse hofcomponist, die een heel grote invloed op de koning uitoefende. Op het laatst ging hij te ver, de koning liet op zich wachten, Lully begon al driftig zijn nieuwste compositie te dirigeren en stampte daarbij met de dirigeerstaf zo hard op zijn voet dat hij zichzelf verwondde. Hij overleed aan de daaropvolgende infectie.  En ironie van het lot: de compositie was geschreven ter ere van het herstel van de gezondheid van de koning, maar was het begin van het einde van Lully. Voor die tijd leek Lully’s invloed onbeperkt. Vanuit Italië gekomen, had hij zich van een stevige positie aan het Franse hof verzekerd. De dans was daar zeker zo belangrijk als de muziek, er werd om de dag gedanst en de wijze waarop je iemand tegemoet trad, werd door de balletmeester ingestudeerd als een soort minichoreografie. Lully verafgoodde de Zonnekoning, zijn muziek was één grote hulde aan de koning en een gelegenheid om hem, via de dans waar hij vaak aan deelnam, extra in het zonnetje te zetten. De muziek van Lully wordt nu als wat langdradig ervaren. Marcel Zwitser vertelde levendig, aan de hand van film- en muziekfragmenten, hoe Lully niemand naast zich duldde en grote kunstenaars zoals bijvoorbeeld Molière wist weg te werken uit het paleis. De Franse taal was voor Lully heel belangrijk, hij maakte de muziek ondergeschikt aan de taal. Na zijn dood bleef zijn invloed heel lang voortduren, zijn systeem en werkwijze werden gerespecteerd. Pas 50 jaar na het overlijden van Lully kreeg Rameau (in 1733) een voet aan de grond met zijn eerste tragédie lyrique. Rameau’s leerboek uit 1722 “Traité de l’harmonie” wordt echter tot op de dag van vandaag gebruikt. Rameau’s muziek was dramatischer en ook heel geschikt voor de dans. Lag bij Lully de klemtoon op het “theater”, bij Rameau lag het accent meer op de muziek, aldus de conférencier.
Met mooie beelden van “les Boréades” (opera van Rameau) eindigde Marcel Zwitser deze zeer geslaagde Franse muziekavond. We zagen de grauwe winter veranderen in een, prachtig belichte, zonnige zomerweide vol bloemen. De gelieven uit deze fraai gezongen opera sloten elkaar na alle problemen stralend in de armen.

Maandag 13 december 2010 Joop van Schaik: Chansons Françaises II

georgius_pf_32aWeemoedig wordt je bij het beluisteren van een grammofoonplaat op een ouderwetse platenspeler, waarbij het krakerige geluid alles alleen maar authentieker maakt. Tijdens zijn tweede conférence voor de Alliance Française Meppel had Joop van Schaik weer voor een fraaie “bundel” teksten gezorgd, die het volgen van zijn heldere verhaal nog gemakkelijker maakte. Verzuchtingen over verdwenen vriendschappen, een prachtig liefdeslied over een oude vrouw die hout sprokkelt om haar huis te verwarmen en terugblikt op het liefdesleven met haar “Bonhomme”.
Vervolgens klinkt weer de, van origine Franse, Internationale, die rond 1870 een tijd lang voorrang had op de Marseillaise. Het doorleefde “Mon légionnaire” door Edith Piaf of het humoristische “Au lycée Papillon” van Georgius, tijdgenoot en bewonderaar van André Breton, waarvan een licht surrealistische invloed herkenbaar is. In elk lied speelt zich een miniatuurverhaal af, waarbij de sfeer van het cabaret of café chantant vaak heel sterk aanwezig is. De Eerste Wereldoorlog, hoe onromantisch het ook lijkt, is een geliefd onderwerp voor menig chanson. Aristide Bruant maakte de muziek bij een tekst van Lucien Boyer over het “Bois le Prêtre”, waar een tragische en zinloze veldslag plaatsvond. Les frères Jacques, ooit nog opgetreden voor de Alliance Française Meppel, Henri Salvador, legendarische figuren passeerden de revue. Het feest der herkenning bood veel te genieten. Tenslotte kwam de tweede generatie Dutronc aan bod: Thomas Dutronc (de zoon van Jacques). Met toch weer een vertrouwde, swingende manier van zingen in de stijl van Django Reinhardt. Het chanson Française bloeit als nooit tevoren, en herneemt en vernieuwt zich zelf steeds. Joop van Schaik trof ondanks besneeuwde wegen een volle zaal aan die zeer tevreden huiswaarts keerde.

Maandag 8 november 2010  Anja Hélène van Zandwijk: Flaneren door Parijs

Een enkele beroemde foto kan alleen al sfeerbepalend zijn voor Parijs.  De fotografen Atget en Brassaï (de Caravaggio van Parijs) laten dit met overtuiging zien in hun beelden van de Franse hoofdstad. De bekendste is misschien wel Doisneau met zijn “kus bij het Hôtel de ville”. Kort na de Tweede Wereldoorlog symboliseerde deze kus de hernieuwde vrijheid, zowel in het gewone als in het artistieke leven. Universitair docente Anja-Hélène van Zandwijk presenteerde een keur van kunstenaars die hun licht op Parijs hadden laten schijnen. Na de fotografen kwamen schrijvers als Victor Hugo (die Parijs als een voortdurend aan elkaar gebreid geheel beschreef). Maar ook Baron Haussmann (bijgenaamd de “artist démoliseur”, de vernieler), die de flâneurs in Parijs 20 jaar lang stofwolken bezorgde door zijn reconstructies. Balzac, Beaudelaire, Zola en Proust, allemaal hadden zij hun hoogst persoonlijke visie op de lichtstad. Dit werd aan de hand van fragmenten uit hun werk getoond. De surrealistische schrijver André Breton maakte steeds dezelfde wandeling rond de Bld Strassbourg: “Ik ga wel een bepaalde weg, maar zonder doel en ook graag ’s nachts met zo min mogelijk verkeer”. Bernard Pivot en Patrick Modiano kwamen uitstekend tot hun recht in een fraai fragment van een gesprek van de letterkundige-interviewer met Modiano in diens mooie appartement. De schrijver bewaarde, als talisman, de eerste reactie van Pivot, op een visitekaartje. Sindsdien verscheen het ene na het andere boek gesitueerd in Parijs en vaak met de Tweede Wereldoorlog als thema. Een prachtig besluit van deze zeer goed bezochte conférence van Anja-Hélène van Zandwijk, was het subtiele fragment uit “le ballon rouge”. Een film uit 1956, die meerdere prijzen won op filmfestivals. Samen met een klein jongetje met een rode ballon in zijn hand, lopen we door Parijs en zien de stad door de ogen van een kind: weinig verkeer, bussen met open achterbalkons en vriendelijke voorbijgangers. De ballon als houvast, gids en vriendje in deze, altijd intrigerende en fascinerende, bijzondere stad.

4 oktober 2010    Paul Verstappen     Veel interesse voor Astérix en Co.

asterixToen een leerling aan de classicus Paul Verstappen vroeg of ze al die oude verhalen niet in een stripboek konden lezen, haalde hij zijn oude albums van zolder en introduceerde met name de avonturen van Astérix in zijn lessen. “We raken steeds meer visueel ingesteld en daar kunnen we ook gebruik van maken”, aldus Verstappen. Bij televisie en film wordt via camera’s op de meest gruwelijke scènes ingezoomd, zonder terughoudendheid. Het goede stripverhaal bevat humor, nuances, heel vaak grafische artisticiteit en details, zowel in de tekenstijl als de tekstballonnen.

De eerste conférence van de Alliance Française Meppel in de mooie eigentijdse en sfeervolle bovenfoyer van schouwburg Ogterop trok terecht heel veel publiek dat interactief meedeed via kritische vragen. Paul Verstappen vertelde enthousiast over het immigrantenduo Goscinny en Uderzo, dat via Polen, Italië en Argentinië, uiteindelijk in Frankrijk terechtkwam. Hier kregen ze, na een moeizame start, het grote succes met Astérix en Obélix, waarvan inmiddels 33 delen zijn verschenen, die in meer dan 100 talen vertaald zijn. Zij veroverden een topplaats in de wereld van de “bande dessinée”, en elk nieuw boek wordt nu in een internationaal team voorbereid en direct vertaald. Ook zij werken met een bekend patroon: de held, zijn vriend, een dier en een wijze (hier Astérix, Obélix, Idéfix en Panoramix), een patroon ook terug te vinden bij Kuifje, Robbedoes en Suske & Wiske. Verstappens favoriete boek was begrijpelijkerwijs “La tour de Gaule”, een knipoog naar de Tour de France, waar vooral de streekgewoontes en de culinaire specialiteiten in beschreven worden. Deze “nieuwe Fransen” (Uderzo en Goscinny) hebben heel goed gekeken naar hun huidige landgenoten en hun humor en zelfspot worden alom gewaardeerd. Na 33 stripboeken hoopt ook Nederland eens aan de beurt te komen om een rol te spelen in een avontuur van het befaamde Gallische duo. Naast het feest der herkenning kan het nooit kwaad om te kijken door de ogen van anderen en zo te ervaren hoe ze tegen ons aankijken. Via zo’n spiegel leer je ook veel over onze typisch Nederlandse trekjes. Dus wie weet over een tijdje: “Astérix in de Lage Landen”.